Waarom haalt JB Mooney, het hoofdpersonage uit het speelse psychologische drama The Mastermind, het in zijn hoofd om een kunstmuseum te overvallen? Niemand weet het, en de kans is groot dat Mooney er zelf geen ook geen precies idee van heeft. En net die stuurloosheid maakt hem de ideale hoofdfiguur voor de nieuwe film van Kelly Reichardt, het portret van een man die verloren loopt. In zijn eigen leven en in een Amerika dat anno 1970 als geheel ook steeds meer het noorden kwijtraakt terwijl de oorlog in Vietnam aan hevigheid toeneemt. En zoals bij Reichardt (bekend van onder meer de anti-western Meek’s Cutoff en het minzame drama Wendy & Lucy) wel vaker het geval is, is de gebeurtenis op zich — in dit geval de overval — veel minder belangrijk dan wat die vertelt over de mensen die erbij betrokken zijn.
Waarom vind je een overval op een kunstmuseum een interessant onderwerp?
De film is begonnen bij een artikel uit 2022 over de 50ste verjaardag van een kunstroof in Worcester in Massachusetts. De journalist had twee vrouwen gevonden die in 1972 nog tieners waren en die getuige waren geweest van de overval. Hoe spannend het was geweest en dat ze het bijna in de broek hadden gedaan omdat één van de overvallers een pistool had getrokken, dat soort dingen. Ik wist dat ik ooit een verhaal over een kunstroof zou vertellen, en wat die twee meisjes zich herinnerden, leek me een goeie insteek. Het brein achter die overval bleek toen iemand te zijn die kunst gestudeerd had maar nooit zijn diploma had behaald. Net zoals JB Mooney in mijn film.
Je hebt altijd gezegd dat je een grote fan bent van het werk van de Franse cineast Jean-Pierre Melville. Heeft dat ook meegespeeld?
Zeker. Vooral Un flic en Le Cercle rouge, de twee laatste films van Melville, vind ik geweldig. Ik hou van de manier waarop ze in elkaar steken, en ze zijn bevolkt met een ander soort personages dan wat we gewoonlijk zien in zulke films. Ik dacht ook aan de misdaadromans van Georges Simenon, hoe hij de verhalen structureert. Vaak voert hij de misdaden al aan het begin op in plaats van in de tweede act, waar ze traditioneel geplaatst worden. Net zoals ik doe in The Mastermind. Met als gevolg dat ze minder een overvalfilm of een misdaadfilm wordt dan het verhaal van een man die uit elkaar valt, van wat er na de overval gebeurt.
Het eigenaardige is dat jouw hoofdpersonage aan de haal gaat met schilderijen van Arthur Dove, een abstracte kunstenaar die in 1970 nauwelijks succes had. Hoe ben je bij hem uitgekomen?
Ik wist dat het om werk van een Amerikaanse schilder moest gaan. Ik hield ook van het idee dat Arthur Dove landschappen schilderde, en dat hij een vroege modernist was. Sommigen noemen hem zelfs de eerste Amerikaanse modernist. En ik vond dat de naam ‘Dove’ perfect bij andere thema’s van de film paste. Maar je hebt gelijk, Arthur Dove was niet populair in de jaren 1970. Hij kreeg amper een tentoonstelling op poten. Alleen had hij één groot voordeel: zijn schilderijen zijn behoorlijk klein en dus gemakkelijk mee te nemen. Ik had wel ergens schrik dat die werken misschien niet indrukwekkend genoeg zouden zijn voor de film, ook al doet Dove mooie dingen met kleuren als goud en bruin. Uiteindelijk bleek het geen probleem, want als je schilderijen naast elkaar in een museum hangt, geeft de ruimte op zich het nodige gewicht aan die kunst.
The Mastermind is een heel precies portret van de jaren 1970, en meer bepaald van de Amerikaanse middenklasse uit die periode. Hoe heb je de acteurs geholpen om zich voor te bereiden?
Ik heb Josh (O’Connor, die Mooney speelt) en Alana (Haim, die Mooney’s echtgenote speelt) de essays van Joan Didion over de jaren 1960 gegeven. Die geven je een gedetailleerd inzicht van hoe mensen uit die tijd dachten. Ze mochten niet vergeten dat hun personages de jaren 1970 zelf nog niet meegemaakt hadden. Ik heb alle acteurs ook twee documentaires laten zien die een goed idee geven van de dynamiek binnen gezinnen uit de witte middenklasse van toen. De eerste was van Joan DeMott, waarin ze haar familie in Massachusetts tijdens Thanksgiving filmt. De andere was van Joan DeMotts partner Jeff Kreines, over zijn 22-jarige broer die het ouderlijk huis verlaat. Die film bevat veel typische scènes rond de eettafel, gesprekken over “Hoe ga je dat betalen?” en “Je hebt die job nog maar twee weken!” en “Je hebt een auto gekocht en je moet ons nog 200 dollar!” Hoe Jeffs broer zijn ouders haat en absoluut weg wil maar hun geld toch nodig heeft. Het gaat ook over de kloof tussen de generaties. Allemaal elementen die hun weg gevonden hebben naar The Mastermind.
Hoe relevant is dit verhaal voor het Amerika van vandaag?
Dat is een moeilijke vraag. Ik ben zo in de war wat mijn land betreft. Alles evolueert ook zo snel. Ik weet nog dat ik in 2022 in Cannes was met mijn vorige film Showing Up en dat ik de journalisten toen zei “Ik hoop jullie terug te zien in betere tijden”.Nu voel ik me zo naïef. Ik had nooit gedacht dat de situatie zo snel zou afglijden. Ik dacht dat onze president enkel incompetent zou zijn. Ik had geen idee dat er plots mensen zouden verdwijnen. Ik zie The Mastermind dan ook niet als een eigentijdse metafoor of zo. De film weerspiegelt een klein stukje Amerika. Het is een verhaal over de dubbelzinnigheden van het leven, en misschien ook een ode aan een periode uit de filmgeschiedenis. De films van Melville maar ook de Amerikaanse cinema van toen. Die was naar mijn smaak een beetje inventiever dan de films die we vandaag maken. Minder allemaal hetzelfde.
Hoe zie je de situatie van de Amerikaanse onafhankelijke cinema van vandaag?
Ik zou het niet weten. Ik heb mijn vinger niet aan de pols van de hedendaagse Amerikaanse cinema. Ik leef in een zeepbel (lacht). Ik woon de helft van het jaar in New York omdat ik les geef aan Bard College, en de andere helft breng ik door in Portland in Oregon. Ik kijk veel naar oudere films. Los daarvan verkondigen al sinds ik 20 was dat de onafhankelijke cinema in Amerika ten dode opgeschreven is, en toch doen we verder. Ik heb wel de indruk dat steeds minder Amerikaanse regisseurs onafhankelijke cinema blijven maken. Vaak maken ze één of twee onafhankelijke films, en zodra die opgemerkt worden, verdwijnen ze naar een andere stratosfeer. Ik doe gewoon mijn ding. Elke keer als ik een film maak, ga ik ervan uit dat het mijn laatste zal zijn. Daarom zal ik ook nooit stoppen met lesgeven (lacht).

